Tuesday, October 28, 2008

Terrasje pikken in Parijs

Op Gare du Nord heerst vakantiedrukte. Onhandig zeulend met twee tassen, zoek ik mijn weg naar de uitgang. Ik heb trek in koffie en – voor zover aanwezig – in frisse lucht. Bovendien moet ik twee uur overbruggen voor de trein die mij naar Bordeaux zal brengen, vertrekt vanaf Gare du Sud. Buiten ontneemt het felle zonlicht me een ogenblik elk beeld van de directe omgeving. Met toegeknepen ogen ontwaar ik aan de overkant twee brede, naast elkaar gelegen terrassen, zo ondiep dat de voorste stoelen nog net niet de langs de stoep geparkeerde auto's raken. Ik kies het linker terras, plaats mijn weekendtas op de stoel naast me, mijn schoudertas op de grond en sla uit gewoonte (of is het uit voorzorg?) mijn voet door het hengsel.
   'Monsieur?' vraagt de jonge ober kortaf.
   In dat ene woordje zit kennelijk zowel de begroeting als de vraag wat ik wil gebruiken opgesloten.
   'Sandwich au fromage et un café noir,' antwoord ik bijna overdreven vriendelijk. Ik controleer mijn schoudertas, steek een sigaret op en zie dat mijn hand trilt. De stress van de eenzame reiziger, houd ik mezelf voor. Ongemerkt begeven mijn duim en wijsvinger zich naar de randen van mijn snor, een stereotiep gebaar bij retrospectieve momenten. De massage van de haartjes maakt een lucht vrij die overeenkomt met die van een volle asbak. Een behaarde bovenlip is niet alleen een dekmantel voor uiterlijke onvolkomenheden, maar ook een filter.
   Voor me staan louter gebutste en bekraste automobielen geparkeerd. Op een halve vrije parkeerplek staan twee Arabisch uitziende mannen van rond de dertig druk gebarend met elkaar te praten. Beiden letten ogenschijnlijk niet op het kleine meisje dat verveeld om de mannen heen draait. Ik schat haar een jaar of zes, hoewel ik met de leeftijd van vrouwen – jong ze ook zijn – vaak naast zit. Terwijl ze haar cirkelende bewegingen maakt, kijkt ze me met haar diepbruine ogen hulpeloos aan. Bijna vragend.
   'Voilà' is het enige woord dat de ober uitstoot als hij me de bestelling brengt en het bonnetje onder de glazen asbak schuift. Mijn 'merci' gaat grotendeels verloren in het geluid van passerend verkeer. Ik tril nog steeds en adem onrustig. 'Schijter,' spreek ik mezelf bestraffend toe. 'Jij die moeiteloos volle zalen toespreekt, jij die drieënvijftig mensen in dienst hebt, jij die.. jij bent gewoon bang in een grote stad.'
   Bijna als vanzelf trek ik met mijn scheenbeen aan het hengsel van de schoudertas. Dan begint het meisje haar cirkels sneller en sneller te draaien, zonder oog te hebben voor het voorbijrazende verkeer. Wellicht hoort ze niet bij deze mannen, overdenk ik. Zal ik haar waarschuwen? Te laat. Door haar te grote snelheid is ze de rijweg opgevlogen. Piepende remmen doen mijn hart overslaan. Ik spring op en met vijf, zes snelle passen sta ik bij het meisje dat op de weg ligt. Ze is godzijdank ongedeerd. Haar diepbruine ogen kijken me vanaf het vale asfalt nog steeds vragend aan.
   'Ca va?' vraag ik haar troostend, terwijl ik me hurk om haar overeind te helpen.
   Ze antwoordt met een kleine knik. Ik steek mijn duim op naar de zichtbaar geschrokken chauffeur ten teken dat alles in orde is. Met een trieste glimlach start hij zijn moordmobiel. In Parijs gaat het leven immers altijd gewoon door.
   Woedend kijk ik om naar beide mannen. Ze zijn weg. Weg? Verbaasd sta ik op en zoek de directe omgeving af. Nergens zijn zij te bekennen. Als ik me weer naar het meisje wend is ook zij als bij toverslag verdwenen. Ik voel dat ook mijn benen nu hevig beginnen te trillen. Waarom steekt er niemand een hand uit als er een kind overreden voor een auto op de weg ligt? Waarom lopen mensen er voor weg? Wat mankeert het slachtoffertje om op de vlucht te slaan?
   Verdwaasd loop ik terug naar het terras. Als ik ga zitten, wil ik mijn voet weer door het hengsel van de tas steken. Ik voel echter niets. En op de stoel naast me zie ik geen weekendtas. Paniek slaat als een weerlicht mijn lichaam in. Beroofd door het kleine meisje en haar twee handlangers, weet ik zeker. De paniek slaat om in een gevoel van boosheid en onmacht. Ik hap naar adem en wil een sigaret pakken. Ook weg. Zelfs het stokbrood konden ze niet laten staan. Slechts een leeg kopje en een asbak staan nog op het ronde tafeltje.
   In plaats van hardop te vloeken sla ik met beide handen hard op de ronde leuningen van het metalen stoeltje. Geld en creditcard heb ik gelukkig nog, maar mijn reispapieren ben ik kwijt. En ik weet bij god niet welk hotel mijn secretaresse voor me geboekt heeft in Bordeaux. Naar een politiebureau gaan? Ik heb geen enkel bewijs en de enige getuige van het voorval is inmiddels met zijn auto vertrokken. Bovendien zou hij niet kunnen beamen dat ik twee tassen bij me had. Hij heeft alleen maar geremd voor een kind dat hij waarschijnlijk niet eens zou kunnen beschrijven.
   Er zit niets anders op dan te bellen met de zaak. Zij kunnen mij immers het telefoonnummer en adres in Bordeaux doorgeven. Ik besluit de ober te vragen of ik hier internationaal kan bellen. Als ik opsta, zie ik op het naastgelegen terras mijn weekendtas op een stoel liggen. Op de grond ligt mijn schoudertas. Zo te zien ongeopend.

Herfst

De dag ruikt naar
oude aarde bedekt
onder jong gestorven
blad

dat nog niet bestond
toen jij hier plaats vond.

De tijd vergaat met
een komen en gaan van
geuren in een palliatief
pallet

naar mijn believen te smeden
in een neus vol verleden.

Fameuze taartjes

In Montbron heerste een feestelijke stemming. Het dorp op de grens van de Charente en de Dordogne maakte zich op voor het duizendjarig bestaan. Boven de smalle straten in het centrum was een web van vlaggetjes in de Franse driekleur gespannen. Winkeliers en bewoners hadden massaal het verzoek van de maire ingewilligd om hun panden een kwastje te geven in de regionale kleuren: muren korengeel en luiken lavendelblauw.
   De haan moest nog kraaien toen Maurice Sagory zijn voormalige boulangerie verliet om aan het werk te gaan. Anderhalf jaar geleden had hij de deuren van zijn bakkerij definitief in het slot gedaan, nadat een supermarktketen van het gemeentebestuur toestemming had gekregen om aan de rand van het centrum, op nog geen tweehonderd meter van zijn winkel, een vestiging te openen. Daarmee had de burgemeester zijn verkiezingsbelofte waargemaakt: ‘Montbron moet een plaats van betekenis in de regio worden.’ De bevolking had hem bijna unaniem het voordeel van de twijfel gegeven.
   Zes maanden na de komst van de grootgrutter had Maurice de ongelijke concurrentiestrijd moeten staken. Het voorgebakken brood had het gewonnen van zijn traditioneel gebakken flûtes, baquettes en pain de campagne. Gebak verkocht hij nog wel. De taartjes met verse bramen, abrikozen, kersen en frambozen vonden nog wel gretig aftrek, maar zijn gezin met drie dochters in de puberteit kon hij er niet van onderhouden. Het bordje fermé achter het glas van zijn winkeldeur keerde hij niet meer om toen hij een nieuwe betrekking had gevonden als chauffeur van een drankenhandel in een naburig dorp.
   Elke ochtend als hij zijn volgeladen bestelbus startte, vervloekte hij de burgemeester en zijn nieuwe, weinig benijdenswaardige bestaan. Rancuneus was hij teruggetreden uit het bestuur van de winkeliersvereniging, en ook uit dat van de kerk. Hij had niets meer te verwachten van Montbron en Montbron niets meer van hem. Ook al had hij dat in zijn bedankbrieven niet zo durven formuleren.
   Hij was die ochtend nog niet uitgefoeterd toen de Peugeot van de burgemeester naast zijn warmdraaiende diesel stopte.
   ‘Bonjour Maurice,’ riep de burgervader door het geopende raam.
   ‘Bonjour,’ mompelde Maurice stuurs.
   ‘Heb je even?’
   Maurice keek op zijn horloge en knikte aarzelend: ‘Ik denk het wel.’
   ‘Je bakkerij is nog in orde, is het niet?’ vroeg de burgemeester retorisch.
   Maurice perste lucht naar buiten zoals alleen Fransen kunnen blazen als een soort schouderophalen.
   ‘Goed dan. Ik wil je vragen om vijftig taartjes te bakken voor een bijzonder feest op de Mairie, aanstaande zaterdag. Niemand kan dat immers beter dan jij. Zou dat lukken, denk je?’
   Maurice wist even niet wat hij moest denken. Maar na een paar seconden verscheen er een nauwelijks zichtbare glimlach rond zijn lippen. ‘Natuurlijk gaat dat lukken, ik voel me zeer vereerd. Dank je.’
   ‘Vijftig stuks, doe maar van alles wat, zaterdag om 10 uur precies.’ De eerste burger van Montbron stak zijn hand op en reed weg.
   Maurice voelde een vreemde spanning in zijn lijf opkomen. Eindelijk ging hij doen wat hij al zo lang van plan was: wraak nemen op de vijf bestuurders. En hij wist nu precies hoe. Verdomme, de Sagory’s bakten al meer dan zestig jaar het brood in het dorp. Ik zal ze krijgen.

Het was een lome zaterdagochtend en witte kantelen in donkere wolken kondigden onweer aan. Klokslag tien uur arriveerde Maurice met één kleine en vier grote taartdozen bij de Mairie. De gemeentesecretaris wachtte hem op: ‘Je bent mooi op tijd, Maurice. Zijn ze nog steeds zo lekker als vroeger?’
   ‘Nog lekkerder,’ veinsde Maurice. ‘In de kleine doos zitten vijf taartjes die ik speciaal voor het bestuur gemaakt heb.’
   ‘Komt in orde,’ zei de secretaris en nam de taartdozen over. ‘Zeg, loop even mee, ik heb nog wat voor je.’ Met zijn elleboog opende hij de deur van de grote zaal, fel kunstlicht joeg een wolk van tabaksrook naar buiten. De kille ruimte die louter gebruikt werd voor herdenkingsplechtigheden, was nu geheel gevuld met vrolijke mensen die Maurice toelachten en zelfs luid voor hem applaudisseerden.
   Aan het einde van de zaal stond de burgemeester te glunderen naast Maurice zijn vrouw en drie dochters. Wat deden zij hier? En waarom gingen zij zo feestelijk gekleed? Zijn dochters die anders niet uit hun spijkerbroek waren te wringen, droegen nu pastelkleurige jurken en hadden alle drie het haar opgestoken. Zijn trots steeg even hard als zijn verbazing. Wat zijn vrouw, in een ivoorwit deux-pièces met frivole roze bloemen, er toe bracht om met haar wijsvinger tegen de onderkant van haar kin te tikken. Na de tweede keer begreep Maurice de hint.
   De burgervader maande tot stilte. ‘Welkom Maurice. Je zult je wel afvragen wat er aan de hand is. Welnu, beste Maurice, ik moet mijn verontschuldigingen aanbieden. Ik heb je namelijk een beetje misleid. Natuurlijk willen wij allemaal graag nog één keer genieten van je fameuze taartjes. Maar dat is niet de ware reden waarom ik je gevraagd heb te komen…’
   Maurice voelde zich duizelig worden. De mensen in de zaal vervaagden en de woorden van de maire klonken hol. Slechts flarden van wat tot hem gezegd werd drongen tot hem door. ‘Zijn vele verdiensten… drie generaties Sagory… zijn fameuze taartjes… nieuwe toekomst… voortvarendheid… ereburger van Montbron.’ Voordat hij het goed en wel besefte, speldde de burgemeester hem versierselen op en werd hij gekust door zijn vrouw en drie dochters tijdens een staande ovatie.
   De burgervader hief beide handen, waarop het gedruis uitstierf. ‘En laat ons dan nu nog één keer genieten van de fameuze taartjes van Maurice Sagory.' Een traktatie die met gejuich werd ontvangen.
   De gemeentesecretaris hield Maurice en zijn gezin een dienblad voor. Daarop stonden vijf taartjes, door Maurice speciaal geprepareerd voor het gemeentebestuur. Ze zagen er onweerstaanbaar lekker uit.