Friday, December 16, 2005

Glas in soep

Zullen we gaan voetballen?’ vroeg Leo.
‘Mij best,’ antwoordde ik. ‘Bij mij achter?’
Leo knikte instemmend.
Wij woonden op de rechthoek van drie vooroorlogse huizen onder één kap. Langs het huis liep een grindpad tot halverwege de achtertuin. Het achterste gedeelte deed dienst als parkeerplaats voor het wagenpark van mijn vader en oudere broers. Soms stonden er wel zes auto’s.
Het voorste gedeelte was een restant van een Engelse tuin. Het gazon was verkleind tot een grasveldje van drie bij vijf meter. Van de vele rododendrons waren er nog twee overgebleven.
Ik was een nakomer in een gezin van acht jongens. Het verschil met de op één na jongste bedroeg bijna zeven jaar. En jongens van negen spelen niet met die van zestien of achttien of nog ouder. Al jong ervoer ik de eenzaamheid in een groot gezin. Veel van wat mijn broers beleefden, ging aan mij voorbij. Als het gezellig werd, moest ik naar bed. En toen ik hun leeftijd kreeg, waren zij het huis uit.
Vanaf ik mij kan heugen, ben ik opgetrokken met Leo. Hij woonde een paar huizen verderop en was precies een maand jonger. We gingen samen op zwemles, samen op judo, deelden een passie voor treinen, en brachten de meeste tijd door met voetballen. We zaten alleen nooit op dezelfde scholen. Hij op de katholieke, ik op de openbare.
‘Tot de tien, twee doelpunten verschil,’ besliste Leo, terwijl hij met z’n hak een doellijn trok in het grindpad. Ik deed hetzelfde, zo’n tien meter verder naar achteren. Zo konden we over en weer penalty’s nemen.
Sedert mijn ouders hadden besloten de tuin de verruïneren, was het grindpad langs het grasveld ons voetbaldomein. De stand was zeven tegen zeven toen mijn moeder riep: ‘Eddy, eten!’ Als mijn moeder dat riep, betekende het dat het eten al op tafel stond. Anders had ze geroepen dat ik binnen moest komen. Maar het was te spannend om aan eten te denken. Op zondag aten we altijd groentesoep vooraf en als ik iets vreselijk vond dan was het wel het wel groentesoep. Die kon dus nog wel even wachten.
Het was tien tegen negen in mijn voordeel toen mijn moeder mij weer riep. Maar nu dwingender.
Ik legde snel aan om de wedstrijd met een laatste schot te beslissen. Met al de kracht die ik had, vuurde ik de bal in Leo’s richting. Het schot miste echter volledig doel en ik zag hoe het lederen projectiel in een stijgende lijn op weg was naar de serre. Mijn hemel, de serre met de glas-in-lood ramen!
Met dof geluid, gevolgd door het geknars van brekend glas, drong de bruine kogel naar binnen. Ik zie nog het verschrikte gezicht van Leo voor
me. Met grote ogen keek hij me aan en stamelde: ‘Ik ga… ik eh… moet naar huis, ook eten.’
Mijn moeder was de kwaadste niet. Ze leefde in haar eigen glazen stulp.
Alles wat in de boze buitenwereld gebeurde, ging haar niet aan. Je kon haar maar op één manier kwaad krijgen, en dat was mij zojuist gelukt. Ik had haar reglement van orde en properheid overtreden. Ik was niet op tijd aan tafel verschenen. Nu moest ze op een andere dag, op een ander tijdstip de serre schoonmaken. ‘En ik heb toch ook wel eens behoefte aan een beetje rust.’ Maar mijn moeder kon niet rusten, ze moest altijd zorgen voor haar gezin. Voor kaarsrechte stapeltjes wasgoed. Voor blinkende vloeren. Voor glasheldere ramen. Voor meubels waar je je in moest kunnen spiegelen. Aan psychische zorg kwam ze niet toe, dat was ook niet nodig – dacht ze – in haar veilige stolp.
Mijn vader was anders, meer op je geest dan op je schone nagels gericht. Dwangmatigheden waren hem sowieso vreemd. Ook al liet hij zich de huishoudelijke tucht van mijn moeder welgevallen, hij waakte ervoor om er uitvoering aan te geven.
Terwijl ik zag hoe Leo de tuin uitvluchtte, leek het alsof iemand ineens een volumeknop had opengedraaid. Ik hoorde de boze stem van mijn moeder, gevangen in de lach van mijn vader. Een paar tellen later verscheen ze in de keukendeur: ‘Naar binnen, nu!’ Onder de indruk van mijn moeders boosheid, sjokte ik naar binnen. Het gat dat ik in het glazen huis had geschopt, bleek de grens van haar principes te hebben overschreden. Ze sloeg me. De pijn van de schrik kwam heviger aan dan de klap in mijn gezicht. Overstuur rende ik naar mijn kamer, sloot me op en huilde me in slaap.
Ik werd wakker van ongewone geluiden in huis. Eén van mijn broers draafde de trap op en van beneden riep een andere hem na om vooral niet het scheerapparaat van mijn vader te vergeten. Nog verder weg herkende ik tussen vreemde stemmen het Twentse accent van de dokter. Ik stond op, opende de deur op een kier en probeerde de naar boven golvende keelgeluiden op te vangen. Op dat moment kwam mijn oudste broer met een gevulde weekendtas uit de slaapkamer van mijn ouders.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg ik.
‘Pa geeft bloed op, hij heeft waarschijnlijk een stukje glas ingeslikt.’

Wednesday, November 23, 2005

De Slag bij Parijs.

De nachten in Frankrijk zijn weer als vanouds. Nergens meer een brandende auto te bekennen. Het enige wat brandt zijn de lichten op het Elysée. Achter de ramen maant een statige figuur een feestend gezelschap tot kalmte. ‘Ze kunnen ons tot in Brussel horen, maak ze in godsnaam niet wakker,’ knipoogt Chirac naar zijn uitbundige ministersploeg met ingehuurde aanhang.
Zojuist hebben zij uit het Europese hoofdkwartier te horen gekregen dat men per heden 50 miljoen Euro overmaakt naar Parijs om de problemen in de banlieues aan te pakken en dat binnenkort nog 2 miljard volgt. Het bericht brandde nog in de handen van Chirac toen Sarkozy de eerste champagne al liet knallen. Het was immers zijn idee geweest. Een lumineus idee, had Chirac het genoemd.
Een paar maanden eerder had Sarkozy ‘banlieu’ op de politieke agenda gezet. Enkele ministers die geen andere buitenwijk dan die van Chamonix kenden, hadden hem vragend aangekeken. ‘Banlieu?’ Sarkozy had hen daarop ingewijd in de problematiek van de buitenwijken van grote Franse steden. ‘Ik zeg u, als wij, de Franse staat, niet in staat zijn om deze wijken een ander aanzien te geven, zullen wij nooit, ik herhaal: nooit meer de Olympische Spelen naar Frankrijk halen. En daar komt bij, het is toch een blamage dat die kut-Engelsen ons verslagen hebben.’ De minister van Defensie raadpleegde heimelijk de Larousse en las: [2003 <>; anderlandigen die door hun gedrag het dierlijke in de beschaafde mens losmaken.] Hij begreep dat langer wachten onaanvaardbaar was. ‘Plat met die banlieuzooi,’ beviel hij. Het was de minister van Financiën geweest die voorkwam dat er à la minute een rood knopje op het bureau van Chirac ingedrukt werd. ‘Wie gaat dat betalen?’ vroeg hij retorisch. Allen wisten immers hoe slecht de Franse staat bij kas was en dat het land slechts te eten had dankzij de Europese landbouwsubsidies.
Het was Sarkozy geweest die de pijnlijke stilte had doorbroken. ‘We ensceneren een opstand en geven die kut-islamieten de schuld.’ Hij wist alle ogen op zich gericht. ‘In Europa zal men denken dat Al Queida de regie voert, maar in feite zijn wij het. We beginnen natuurlijk in Parijs, maar ook in andere steden zullen er auto´s branden in de buitenwijken!’ Hij keek zijn staatsgenoten één voor één aan en zei toen met alle Franse diplomatie die hij in zich had: Geloof me, Europa zal het zich aantrekken - bang dat de opstand overwaait - en ons financieel tegemoet komen. Wat zeg ik? Europa gaat de renovatie van onze banlieux volledig bekostigen.’
Alle excellenties applaudisseerden instemmend door op de tafel (Lodewijk XIV) te slaan. ‘Mes amis,’ oreerde hij tot slot, ‘opnieuw zal de Franse revolutie zegevieren. Opnieuw zal Frankrijk van zich doen spreken.’
Even meende Chirac hem verkeerd begrepen te hebben.